| Ik weet een dorpje op de wereld, |
| zo schoon en fijn en klein |
| het bevalt mij daar het beste |
| ik wil er altijd zijn. |
| |
| Ze hebben een vrolijk aangezicht, |
| 12 huisjes slechts is 't dorpje groot |
| Ken jij de huizen niet |
| verscholen in de duinen schoot? |
| |
| Liguster, seringen, klimop, wijn, |
| ze verspreiden een zwakke geur |
| slingeren zich om de ramen heen |
| een spreeuw roept voor de deur. |
| |
| Het kamertje binnen, kijk, |
| het is vol huiselijke zin. |
| Van trots en hoogmoed geen enkel spoor, |
| gewoon gezellig is het d'r in. |
| |
| Een hoekje hier, een kastje daar. |
| Vol met voorvaderlijke tierlantijn |
| menig potje, kannetje, zelfs mosselen |
| wat zal dat wonderlijke schilderij toch zijn? |
| |
| Als een geheim is een dergelijk huis |
| echter gezellig, lief gans naar genoegen, |
| draagt het in zich niet angst en alles is er pluis |
| zelfs (toen) ik er bleef vertoeven. |
| |
| Hoor, zachte fluisterstemmen, een vage galm |
| van voorvaders stille zijn. |
| De dingen leven ja allemaal |
| in het flikkerende kaarsenschijn. |
| |
| Hij droeg vol liefde, zorg en moeite |
| ze stuk voor stuk naar hier toe mee |
| en bracht ze voor zijn eigen liefste |
| ooit eens over de grote zee! |
| |
| Nu droomt hij op de zee |
| de lange, laatste droom |
| en dan tegen middernacht of zo |
| stijgt hij op uit witte stoom. |
| |
| Hij haast zich naar zijn huisje klein, |
| waar zijn kleinkinderen slapen, vredig saam |
| in de zilverkleurige maneschijn |
| en geeft zijn zegen, zachtjes bij het raam. |
| |
| Zij echter glimlachen stil in hun droom |
| en voelen nieuwe kracht. |
| De zee ruist wat meer, zij schijnt te zeggen: |
| "Lieve kinderen, slaap maar zacht." |
| |
| Ik rust op de bodem van de zee |
| en houd daar stil de wacht |
| en ben altijd bij jullie vroeg of laat |
| al is het dag, al is het nacht. |
| |
| Jij, klein Oostdorpje op Baltrum, |
| rustige sprookjesplaats op Baltrum's strand |
| daar aan de groene duinenrand, |
| ben jij een ware diamant. |
| |
| Vrij vertaald naar een gedicht van M. Stephan |